Uitspraak
18.3019 AW
19 april 2018, 17/226 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, werkzaam als politiefunctionaris sinds 1985, verzocht de korpschef om erkenning van PTSS als beroepsziekte op grond van drie incidenten uit de jaren 1997 en 1999. De korpschef vroeg advies aan de Adviescommissie PTSS Politie, die het verzoek afwees omdat de diagnose PTSS onvoldoende onderbouwd was en niet voldeed aan het A1-criterium van de DSM-IV. De korpschef wees het verzoek en het bezwaar daarop af, mede op basis van een rapportage van arts Loonstein.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering en het ontbreken van een zorgvuldige toetsing van het advies van de Commissie. De korpschef stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat het A1-criterium was voldaan en dat de Commissie niet bevoegd was dit zelfstandig te toetsen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Commissie zich beperkt tot het toetsen van de onderbouwing van de diagnose en dat de korpschef onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de totstandkoming van het advies, met name de rapportage van Loonstein.
De Raad bevestigde dat de korpschef de diagnose van een door hem ingeschakelde deskundige niet zonder nadere navraag naast zich neer mag leggen en dat het bestreden besluit daarom niet deugdelijke motivering bevat. Het hoger beroep van de korpschef faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De korpschef wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van de korpschef wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid.