Uitspraak
17.7571 ANW
OVERWEGINGEN
1 februari 2013 op het adres [adres 2] en vanaf 1 februari 2013 op het adres [adres 3] (uitkeringsadres).
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving vanaf augustus 2009 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Zij had een gezamenlijke huishouding met X, wat zij niet had gemeld aan de Sociale verzekeringsbank (Svb), waardoor zij haar inlichtingenverplichting schond.
Naar aanleiding van een melding in december 2013 startte de Svb een onderzoek naar de woonsituatie van appellante en X, dat werd uitgebreid met een strafrechtelijk onderzoek door de sociale recherche. Op grond van de onderzoeksbevindingen besloot de Svb in juni 2016 de uitkering met terugwerkende kracht in te trekken en de onverschuldigde betalingen terug te vorderen.
Appellante voerde aan dat de Svb te laat had gehandeld en dat de terugvordering beperkt had moeten worden tot de periode vóór december 2013. De Raad oordeelde echter dat het onderzoek van de gemeente in 2013 nog niet was afgerond en dat er geen dringende redenen waren om af te zien van terugvordering. Wel werd het bedrag van de terugvordering gecorrigeerd naar €90.770,75.
De Raad vernietigde het eerdere besluit over de hoogte van de terugvordering, herroept het terugvorderingsbesluit en stelt het terugvorderingsbedrag definitief vast. Tevens veroordeelde de Raad de Svb tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep stelt het terugvorderingsbedrag vast op €90.770,75 en vernietigt het eerdere besluit over de hoogte van de terugvordering.