ECLI:NL:CRVB:2017:1851
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- L. Koper
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering nabestaandenuitkering ondanks bezwaar
Appellante ontving een nabestaandenuitkering die later werd herzien omdat de Sociale Verzekeringsbank (Svb) bij de berekening was uitgegaan van een te laag inkomen. De Svb besloot tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen. Appellante stelde dat zij aan haar inlichtingenverplichting had voldaan en niet kon onderkennen dat zij te veel ontving.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat zij te veel uitkering ontving. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en bevestigde dat het beleid van de Svb om terug te vorderen, met inachtneming van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, op consistente wijze was toegepast.
De Raad stelde vast dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat de terugvordering onevenredig ingrijpend was of dat er dringende redenen waren om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de nabestaandenuitkering bevestigd.