ECLI:NL:CRVB:2019:546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellant ontving vanaf 2009 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet, en stond ingeschreven op twee verschillende adressen. Na een interne melding in 2013 over mogelijke onjuiste woonsituatie, voerde het college een onderzoek uit dat werd overgedragen aan de sociale recherche en de Sociale Verzekeringsbank (Svb). Dit leidde tot het besluit in januari 2016 om de bijstand van appellant in te trekken en de kosten van bijstand over de periode 2009-2015 terug te vorderen.
Appellanten voerden aan dat het onderzoek in 2013 al was afgerond en dat het late intrekken van de bijstand onterecht was, met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad oordeelde echter dat het onderzoek in 2013 nog niet was afgerond en dat appellanten nog niet waren gehoord. Het college was bevoegd de terugvordering te effectueren en kon slechts op grond van dringende redenen afzien van terugvordering, wat niet het geval was.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 februari 2019.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.