ECLI:NL:CRVB:2019:621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende onderbouwde beperkingen
Appellant, voormalig schoolassistent, viel in 2005 uit wegens psychische klachten en ontving een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2015 stelde het UWV vast dat appellant met passend werk meer dan 65% van zijn loon kan verdienen en beëindigde de uitkering per 29 februari 2016. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij een verzekeringsarts aanvullende beperkingen opnam, maar de arbeidsdeskundige bleef van mening dat appellant geschikt was voor bepaalde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant voldoet aan opleidingsniveau 2 en dat zijn taalbeheersing voldoende is voor de functies. In hoger beroep voerde appellant aan dat de beperkingen en gevolgen van zijn psychische klachten en diabetes ernstiger zijn dan vastgesteld en dat de functies niet passend zijn vanwege taalproblemen en risicovolle omstandigheden.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het medisch onderzoek en de arbeidsdeskundige beoordeling van het UWV. De Raad stelt vast dat er geen medische noodzaak is voor verdere beperkingen of een deskundige benoeming. Ook het betoog over onvoldoende taalvaardigheid en opleidingsniveau wordt verworpen. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de WGA-uitkering en verklaart het beroep ongegrond.