ECLI:NL:CRVB:2019:627
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek intrekking en terugvordering bijstand wegens hennepkwekerij
Appellant verzocht het college om herziening van het besluit van 30 september 2010, waarbij zijn bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd wegens het niet melden van inkomsten uit een hennepkwekerij, arbeid in de vishandel van zijn broer en onderverhuur van zijn woning.
Het college wees het herzieningsverzoek af omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die herziening rechtvaardigen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarin werd geoordeeld dat niet aannemelijk was dat hij voordeel had genoten uit de hennepteelt, een nieuw feit vormde. De Raad oordeelde dat dit arrest geen aanleiding gaf tot herziening omdat het oorspronkelijke besluit niet afhankelijk was van het al dan niet feitelijk genoten voordeel, maar van het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten.
Daarnaast voerde appellant aan dat zijn psychische gesteldheid (PTSS) een nieuw feit vormde dat de verklaringen die aan het oorspronkelijke besluit ten grondslag lagen, rechtvaardigde. De Raad stelde vast dat de psychische problemen al bekend waren ten tijde van het oorspronkelijke besluit en dat de diagnose PTSS geen nieuw feit oplevert.
De Raad concludeerde dat het college het verzoek terecht heeft afgewezen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek van appellant wordt afgewezen en het oorspronkelijke besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.