Uitspraak
Datum uitspraak: 27 februari 2019
OVERWEGINGEN
.Dit betekent dat geen recht meer bestaat op een WW-uitkering tot het moment dat appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige volledig heeft beëindigd en het recht op WW-uitkering herleeft.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WW-uitkering tot november 2014, berekend op 45 arbeidsuren per week. Naar aanleiding van een aangifte werd in zijn woning een hennepkwekerij met 130 planten aangetroffen. Het UWV stelde na onderzoek vast dat appellant vanaf september 2013 als zelfstandige in de kwekerij werkte en herzag de uitkering, met terugvordering van €12.132,17. Tevens legde het UWV een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank vernietigde het boetebesluit deels en stelde de boete lager vast op €5.466,67, maar oordeelde dat het UWV de omvang van de werkzaamheden zorgvuldig had geschat en dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de schatting niet onderbouwd was en dat hij slechts beperkte hand- en spandiensten had verricht.
De Centrale Raad van Beroep deelt het oordeel van de rechtbank dat het UWV een zorgvuldige schatting heeft gemaakt, mede gelet op de verklaringen van appellant tegenover de politie. De Raad benadrukt dat het risico van een nadelige schatting voor appellant komt wanneer hij geen urenregistratie heeft bijgehouden en geen opgave deed. De Raad bevestigt dat het UWV terecht de uitkering herzag, terugvorderde en een evenredige boete oplegde. Het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WW-uitkering heeft herzien en een evenredige boete heeft opgelegd wegens werkzaamheden in een hennepkwekerij.