ECLI:NL:CRVB:2019:680
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgvuldigheid en motivering bij beëindiging Ziektewetuitkering en weigering WIA-uitkering
Appellante was werkzaam als juridisch secretaresse en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde haar Ziektewetuitkering. Appellante maakte bezwaar en beroep, waarbij aanvullende medische rapporten werden ingediend, waaronder van verzekeringsarts Offermans en een Belgische arts.
De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren gemotiveerd. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat het rapport van Offermans onvoldoende medische onderbouwing bevatte en dat de door appellante aangevoerde medische gegevens niet tot een andere conclusie leiden.
Verder is vastgesteld dat appellante niet voldeed aan de wachttijd van 104 weken voor een WIA-uitkering, omdat zij per 11 januari 2016 als hersteld werd beschouwd. De Raad volgt het UWV en de rechtbank in het oordeel dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd en dat de WIA-uitkering niet toekomt. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de Ziektewetuitkering terecht heeft beëindigd en de WIA-uitkering terecht heeft geweigerd.