ECLI:NL:CRVB:2019:8
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering wezenuitkering na 21e verjaardag en beperking herziening tot de helft
Appellant ontving sinds december 2011 een wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) besloot dat het recht op deze uitkering eindigde toen appellant 21 jaar werd, met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2012. Vervolgens vorderde de Svb de te veel betaalde uitkering terug, een bedrag van ruim €30.000.
Na bezwaar werd de terugvordering beperkt tot de helft, waarbij ook een vergoeding voor rechtsbijstand werd toegekend en verrekend met de openstaande vordering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij geen verwijt treft, dat de terugvordering onterecht is, en dat de Svb de kosten van rechtsbijstand niet had mogen verrekenen.
De Raad oordeelde dat de Svb het beleid omtrent terugwerkende kracht en terugvordering op consistente wijze heeft toegepast. Appellant had redelijkerwijs kunnen weten dat het recht op wezenuitkering eindigde bij zijn 21e verjaardag. Er waren geen bijzondere omstandigheden om de herziening verder te beperken. Ook was er geen sprake van dringende redenen om af te zien van terugvordering. De grief over verrekening van de kosten van rechtsbijstand werd eveneens verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de wezenuitkering en de beperking van de herziening tot de helft.