ECLI:NL:CRVB:2019:804
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en maatmaninkomen bij ziekengeld op grond van de Ziektewet
Appellante was horecamedewerkster en meldde zich ziek met fysieke klachten. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waardoor haar recht op ziekengeld werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch en arbeidskundig onderzoek als zorgvuldig en deugdelijke onderbouwing werd beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar belastbaarheid was overschat en verwees zij naar medische brieven en het advies van de Gezondheidsraad ME/CVS. De Raad stelde vast dat het deskundigenrapport een zorgvuldig en consistent onderzoek betrof, waarbij alle relevante gegevens waren betrokken. Het algemene advies van de Gezondheidsraad werd onvoldoende geacht om beperkingen aan te nemen.
De arbeidsdeskundige had op basis van het CV en arbeidsverleden van appellante geconcludeerd dat drie van de geselecteerde functies passend waren, ondanks beperkingen in technisch lezen en spellen. De Raad volgde dit oordeel en oordeelde dat de functie van horecamedewerkster terecht als maatmaninkomen was genomen. De schending van de motiveringsplicht werd gepasseerd omdat het besluit ook zonder dit gebrek stand zou houden.
Het hoger beroep werd verworpen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd.