ECLI:NL:CRVB:2019:819
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E.J.J.M. Weyers
- D. Hardonk-Prins
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als ouderenadviseur en begeleider vrijwilligers, maar meldde zich ziek en vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 november 2015 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de beperkingen in de FML voldoende waren onderbouwd en de medische rapporten geen aanleiding gaven tot twijfel.
In hoger beroep voerde appellant aan dat er aanvullende beperkingen waren, onder meer op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, en overhandigde hij medische adviezen ter ondersteuning. De Centrale Raad volgde het UWV en de rechtbank echter in hun oordeel dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De Raad vond geen medische onderbouwing voor verdere beperkingen en oordeelde dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellant vielen.
De Raad wees ook de door appellant geuite twijfels over de geschiktheid van bepaalde functies af, omdat deze gebaseerd waren op niet-ondersteunde aannames over beperkingen. De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.