ECLI:NL:CRVB:2019:871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek om heroverweging Wajong-uitkering wegens arbeidsbeperkingen vanaf zeventiende jaar
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering op grond van arbeidsbeperkingen die zouden zijn ontstaan vóór of op zijn zeventiende verjaardag. De verzekeringsarts stelde vast dat er geen objectieve medische gegevens waren die beperkingen op die leeftijd aantonen, maar later een knikmoment in februari 2011 door een andere ziekteoorzaak. De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant op zijn zeventiende in staat was 75% van het maatmaninkomen te verdienen.
Het Uwv wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat er geen nieuwe feiten waren en dat hij meer beperkingen had dan in de FML waren vermeld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het Uwv bevoegd was het besluit in volle omvang te heroverwegen en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen de beperkingen adequaat weergeven. Er was geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na het einde van de wachttijd.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd; appellant komt niet in aanmerking voor een Wajong-uitkering.