ECLI:NL:CRVB:2019:891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging definitieve vaststelling bijstand op grond van Bbz 2004 met uitsluiting borgstellingskosten
Appellant exploiteert een eenmanszaak en heeft borg gestaan voor een krediet van een coöperatie die failliet is gegaan. Bij de definitieve vaststelling van zijn bijstand op grond van het Bbz 2004 is het dagelijks bestuur van mening dat de voorziening voor de borgstelling niet mag worden afgetrokken van het netto-inkomen uit het bedrijf.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad overweegt dat privékosten, waaronder de borgstellingskosten vallen, niet ten laste mogen worden gebracht van de bedrijfswinst en daarmee het inkomen uit het bedrijf.
Appellant voerde aan dat de borgstelling gerelateerd is aan zijn bedrijfsactiviteiten, maar de Raad acht dit onvoldoende om de kosten als bedrijfskosten te kwalificeren. De voorziening voor de borgstelling betreft een privé-vordering en mag niet worden meegenomen bij de berekening van het netto-inkomen.
De Raad concludeert dat het dagelijks bestuur het netto-inkomen terecht heeft vastgesteld zonder rekening te houden met de borgstellingskosten en bevestigt daarom de aangevallen uitspraak. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat borgstellingskosten niet ten laste mogen worden gebracht van het netto-inkomen uit het bedrijf bij de definitieve vaststelling van bijstand op grond van het Bbz 2004.