ECLI:NL:CRVB:2014:3839
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.S. van der Kolk
- A.I. van der Kris
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO- en WAZ-uitkering na medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant was sinds 20 februari 2003 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten en ontving vanaf 19 februari 2004 een WAZ-uitkering (25-35%) en een WAO-uitkering (55-65%). Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2009 vanwege clusterhoofdpijn, stelde het UWV de WAO-uitkering per 28 december 2010 vast op 65-80% en handhaafde de WAZ-uitkering onveranderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV voldoende medische en arbeidskundige gronden had voor de beslissingen en dat de verlaging van de WAO-uitkering niet in strijd was met het verbod van reformatio in peius. Appellant stelde in hoger beroep dat de clusterhoofdpijn hem al in 2004 parten speelde en verzocht om verhoging van beide uitkeringen.
De Raad raadpleegde een neuroloog die concludeerde dat appellant chronische clusterhoofdpijn heeft, maar dat de vermoeidheidsklachten niet medisch aannemelijk waren als beperking. De Raad volgde het oordeel van de deskundige en de bezwaarverzekeringsarts dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 september 2006 voortkomt uit een andere ziekteoorzaak dan die waarvoor de WAZ-uitkering was toegekend.
De Raad oordeelde dat appellant geschikt is voor de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies en bevestigde het bestreden besluit. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verlaging van de WAO-uitkering en handhaving van de WAZ-uitkering bevestigd.