ECLI:NL:CRVB:2019:988
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag vanwege onduidelijke verblijfplaats dakloze
Appellante diende op 7 december 2016 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet, met als gewenste ingangsdatum 3 december 2016. Zij verklaarde dakloos te zijn en tot die datum in een bedrijfspand te hebben geslapen dat door brand werd verwoest, waarna zij in een auto in Rotterdam verbleef. Het college vroeg om nadere informatie over haar verblijfplaatsen, maar appellante kon deze niet volledig verstrekken en gaf wisselende verklaringen over haar verblijf in de auto en bij vrienden.
Het college wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellante feitelijk in Rotterdam woonde. Appellante maakte bezwaar en overhandigde een verklaring van een derde die stelde dat zij bij hem had gelogeerd, maar het college handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel omdat appellante onvoldoende controleerbare gegevens had verstrekt over haar verblijfplaats en wisselende verklaringen had afgelegd.
De Raad benadrukte dat de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij de aanvrager ligt en dat deze verplicht is juiste en volledige informatie te verstrekken. Het feit dat appellante kwetsbaar was en hulp behoefde, leidt niet tot een ander oordeel over haar inlichtingenverplichting. De Raad concludeerde dat het college terecht het recht op bijstand niet kon vaststellen en bevestigde de afwijzing van de aanvraag.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende duidelijkheid over de feitelijke verblijfplaats wordt bevestigd.