ECLI:NL:CRVB:2020:1060
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging ziekengeld wegens ernstige misdragingen en gebrekkige termijnstelling
Appellant was technisch medewerker en raakte arbeidsongeschikt na een bedrijfsongeval in april 2015. Het UWV kende hem ziekengeld toe, maar schortte de uitkering op 6 november 2015 wegens ernstige misdragingen jegens werkgever en arbodienst, en beëindigde deze met terugwerkende kracht per 2 november 2015 omdat appellant niet had gereageerd op het schorsingsbesluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellant dat het schorsingsbesluit geen termijn stelde waarbinnen hij moest reageren, en dat de beëindiging van het ziekengeld niet op juiste wettelijke gronden was gebaseerd. Het UWV verdedigde het besluit, maar erkende dat de wettelijke grondslag voor beëindiging ontbrak.
De Raad oordeelde dat het schorsingsbesluit een ernstig gebrek vertoonde doordat geen termijn was gesteld, terwijl dit essentieel is om gedragsaanpassing af te dwingen. De beëindiging van het ziekengeld met terugwerkende kracht was niet verenigbaar met het schorsingsbesluit en ontbrak een juiste wettelijke basis. Daarom vernietigde de Raad het besluit en droeg het UWV op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Daarnaast kende de Raad een schadevergoeding toe aan appellant en werkgever wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure, en veroordeelde het UWV en de Staat in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 2 november 2015 wordt vernietigd wegens een ernstig gebrek in het schorsingsbesluit en ontbrekende wettelijke grondslag.