Appellante, een eigenrisicodrager voor de Ziektewet, betaalde ziekengeld aan een ex-werknemer die na een verkeersongeval arbeidsongeschikt was. Het UWV schortte de uitkering op wegens het niet reageren van de werknemer op een verzoek tot contact, en beëindigde de uitkering per 16 oktober 2014. De werknemer maakte bezwaar tegen beide besluiten, waarbij appellante als belanghebbende deelnam.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het UWV terecht was teruggekomen op het intrekkingsbesluit omdat het schorsingsbesluit geen termijnstelling bevatte. In hoger beroep stelde appellante dat het schorsingsbesluit wel rechtsgeldig was en dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat zonder termijnstelling het schorsen zinledig zou zijn.
De Raad oordeelt dat het schorsingsbesluit van 31 oktober 2014 onjuist was omdat het geen termijnstelling bevatte, een essentieel element om betrokkene te activeren. De brief van appellante met een termijnstelling kon dit niet vervangen. Tevens concludeert de Raad dat het UWV bij de heroverweging onvoldoende rekening hield met de belangen van appellante door niet inhoudelijk te beoordelen of de werknemer recht had op ziekengeld, ondanks ingediende medische stukken. Het bestreden besluit is daarom niet in stand te houden, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven gehandhaafd.