ECLI:NL:CRVB:2020:1091
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WIA-uitkering wegens onjuiste medische grondslag
Appellant, laatstelijk werkzaam als dakdekker, vroeg een WIA-uitkering aan die door het UWV werd geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV zijn medische beperkingen had onderschat, mede gelet op een behandelplan van zijn psycholoog en benoeming van een deskundige psychiater. De deskundige concludeerde dat appellant meer beperkingen had dan het UWV aannam, vooral op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren.
Het UWV voerde aan dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende waren en dat er geen urenbeperking nodig was. De Raad volgde de deskundige en oordeelde dat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist was. De arbeidsdeskundige paste de functies aan, maar bleef bij een arbeidsongeschiktheid van 32,55%, waardoor de WIA-uitkering terecht werd geweigerd.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WIA-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.