ECLI:NL:CRVB:2020:1099
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten op grond van Wmo 2015
Appellant, geboren in 1994, verhuisde in 2016 naar een gelijkvloerse woning vanwege medische beperkingen en vroeg in 2017 een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten aan bij het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Het college weigerde deze tegemoetkoming op grond dat de verhuizing niet onverwacht was en binnen een gangbare wooncarrière paste, en later omdat appellant ten tijde van de melding geen beperkingen in zelfredzaamheid of participatie zou hebben ondervonden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college ten onrechte het besluit baseerde op het ontbreken van beperkingen ten tijde van de latere melding en dat het standpunt dat terugwerkende kracht niet mogelijk is onjuist is. Tevens mocht het college de aanvraag niet afwijzen op grond dat appellant de beperkingen op eigen kracht had kunnen wegnemen, ook niet als appellant de verhuizing zelf had bekostigd.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende appellant een tegemoetkoming van €2.950 toe. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht vergoed. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Appellant krijgt een tegemoetkoming van €2.950 toegekend voor verhuis- en inrichtingskosten en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.