ECLI:NL:CRVB:2020:11
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor deurwaarderskosten wegens schuldenuitzondering Participatiewet
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor deurwaarderskosten die onderdeel waren van een vordering van de woningbouwvereniging. Het college wees de aanvraag af op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Participatiewet, dat bijzondere bijstand voor schulden in beginsel uitsluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep stond alleen nog de vraag centraal of het college bijzondere bijstand had moeten verlenen voor de deurwaarderskosten van €104,59.
De Raad oordeelde dat appellant tijdens of na het ontstaan van de huurschuld beschikte over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, waardoor bijzondere bijstand niet toekwam. De door appellant aangevoerde rol van het college bij het ontstaan van de huurschuld bood geen grond om af te wijken van de dwingendrechtelijke uitsluiting in artikel 13 PW Pro.
Er was geen sprake van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 49 PW Pro. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Ook het verzoek tot vergoeding van schade werd afgewezen.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor deurwaarderskosten wordt bevestigd wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.