ECLI:NL:CRVB:2020:1106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als onderhoudsmonteur, meldde zich ziek met knie- en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant slechts 21,94% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, ook al was het rapport opgesteld door een arts die nog niet als verzekeringsarts was geregistreerd. Deze werd getoetst door een geregistreerde verzekeringsarts.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt over de onzorgvuldigheid van het onderzoek en het gebrek aan informatie van de behandelend sector. De Raad volgde echter de rechtbank en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat het gebrek in bezwaar was hersteld en dat het ontbreken van aanvullende informatie van de behandelend sector niet leidde tot een onzorgvuldig onderzoek.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.