ECLI:NL:CRVB:2020:1143
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen vergoeding voor reeds aangeschafte aangepaste bestelauto op grond van Wmo 2015
Appellante, die motorische en cognitieve beperkingen heeft als gevolg van een herseninfarct, vroeg om vergoeding van een aangepaste bestelauto op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Na een gesprek op 2 januari 2017 tussen haar echtgenoot, de wethouder en een Wmo-consulent, diende appellante een aanvraag in voor vergoeding van de aanschaf en aanpassing van de bestelauto die zij medio 2015 zelf had aangeschaft.
Het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking Kempengemeenten wees de aanvraag af omdat appellante reeds op eigen kracht een oplossing had gevonden voor haar vervoersprobleem door de aanschaf van de aangepaste auto. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep.
Appellante stelde dat zij op grond van het gesprek met de wethouder en de consulent mocht vertrouwen op vergoeding van de auto. De Raad oordeelde echter dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat toezeggingen of gedragingen zijn verricht waaruit zij redelijkerwijs mocht afleiden dat vergoeding zou worden toegekend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde daarom niet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de vergoeding van de aangepaste bestelauto wordt bevestigd.