ECLI:NL:CRVB:2020:1185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verblijf en hoofdverblijf bij aanvraag bijstand Participatiewet
Appellant vroeg bijstand aan op een opgegeven adres, maar verbleef feitelijk bij zijn ex-vrouw sinds november 2017 vanwege zijn medische situatie. Het college wees de aanvraag af omdat appellant zijn woonadres niet juist had opgegeven. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellant niet met zijn ex-vrouw wilde aanvragen.
In hoger beroep stond centraal of appellant in de beoordelingsperiode woonachtig was op het opgegeven adres. Appellant stelde dat zijn verblijf bij zijn ex-vrouw tijdelijk was vanwege medische redenen en dat hij zijn hoofdverblijf niet had verplaatst. De Raad oordeelde dat het verblijf van zeven maanden niet als kort verblijf kon worden beschouwd en dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat zijn medische situatie het tijdelijk verblijf rechtvaardigde.
De Raad concludeerde dat appellant zijn feitelijke woonadres had verplaatst naar het adres van zijn ex-vrouw en dat de aanvraag bijstand terecht was afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd voor zover aangevochten. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant zijn hoofdverblijf feitelijk heeft verplaatst naar het adres van zijn ex-vrouw en het verblijf niet tijdelijk was.