ECLI:NL:RBZWB:2022:3481

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 juni 2022
Publicatiedatum
27 juni 2022
Zaaknummer
AWB- 22_2454 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 3 ParticipatiewetArt. 11 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding

Verzoeker vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet, maar Orionis wees de aanvraag af wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met de hoofdbewoner van het adres waar verzoeker verbleef. Verzoeker was dak- en thuisloos geweest en verbleef sinds december 2021 feitelijk op het adres van de hoofdbewoner, met een briefadres vanaf januari 2022.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker en de hoofdbewoner weliswaar hetzelfde hoofdverblijf deelden, maar dat het criterium van wederzijdse zorg niet was voldaan. Verzoeker ontving zorg en ondersteuning, maar kon zelf geen zorg bieden en er was geen financiële verstrengeling anders dan een lening die terugbetaald moet worden. Het verblijf was tijdelijk en verzoeker was op zoek naar zelfstandige woonruimte.

Gezien het spoedeisend belang en het voorlopige karakter van de beoordeling werd het bestreden besluit geschorst en werd Orionis opgedragen voorschotten te verstrekken vanaf de datum van het verzoek om voorlopige voorziening. Tevens werd Orionis veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt geschorst en voorschotten worden verstrekt tot drie weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2454 PW VV

uitspraak van 24 juni 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: [naam gemachtigde],
en

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 april 2022 (bestreden besluit) van Orionis inzake de afwijzing van zijn aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 10 juni 2022. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bewindvoerder [naam bewindvoerder] . Orionis heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Verzoeker heeft zich op 23 februari 2022 gemeld bij Orionis voor het aanvragen van een bijstandsuitkering voor een alleenstaande. Op 24 februari 2022 heeft Orionis telefonisch een meldingsgesprek met verzoeker gevoerd. Verzoeker heeft op 8 maart 2022 een aanvraagformulier ingediend voor een bijstandsuitkering met ingang van 25 januari 2022.
Verzoeker verblijft sinds 7 december 2021 op het adres [adres verzoeker] te [woonplaats verzoeker] (het adres) en heeft sinds 25 januari 2022 een briefadres op dit adres. De hoofdbewoner van het adres is mevrouw [naam hoofdbewoner] .
Op 21 maart 2022 heeft tweemaal een huisbezoek plaatsgevonden. Verzoeker heeft op verzoek van Orionis ontbrekende gegevens aangeleverd, voor zover beschikbaar.
Bij beschikking van 31 maart 2022 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over alle goederen van verzoeker en een bewindvoerder aangesteld.
Bij het bestreden besluit heeft Orionis de aanvraag om bijstand van verzoeker afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert met [naam hoofdbewoner] .
Standpunt verzoeker
2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Verzoeker was dak- en thuisloos en hij heeft in de afgelopen jaren zijn inschrijving in de Basisregistratie persoonsgegevens (BRP), actieve BSN-nummer, bankrekening en zorgverzekering verloren. In december 2021 werd verzoeker ernstig ziek. In deze noodsituatie heeft [naam hoofdbewoner] , een goede kennis, hem tijdelijk onderdak geboden. Daartoe is een gezamenlijke verklaring opgesteld, waaruit blijkt dat hij een kamer huurt. Ook zijn inmiddels stappen gezet in het vinden van andere woonruimte en flankerende hulp. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een bijstandsuitkering toe te kennen.
Wettelijk kader
3.1
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
3.2
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet (voor zover van belang) bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.
Artikel 3, derde lid, van de Participatiewet bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.
4.
Beoordeling van de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4.1
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang aannemelijk is nu
verzoeker stelt afhankelijk te zijn van een bijstandsuitkering en hij (in ieder geval sinds zijn melding op 23 februari 2022) geen inkomen heeft.
Inhoudelijk
4.2
In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 23 februari 2022 tot en met 8 april 2022.
4.3
Het gaat hier om een besluit tot afwijzing van een aanvraag. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die inwilliging van die aanvraag noodzakelijk maken. In dat kader moet de aanvrager de nodige duidelijkheid verschaffen en volledige openheid van zaken geven. Vervolgens is het aan de bijstandsverlenende instantie om in het kader van de onderzoekplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.4
Tussen partijen is in geschil of verzoeker in de te beoordelen periode op het opgegeven adres een gezamenlijke huishouding voerde met [naam hoofdbewoner] , op grond van artikel 3 van Pro de Participatiewet.
4.5
Bij de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding moet eerst beoordeeld worden of verzoeker en [naam hoofdbewoner] beiden hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Vast staat dat verzoeker sinds 7 december 2021 feitelijk verblijft op het adres van [naam hoofdbewoner] . Nu verzoeker inmiddels een half jaar op dit adres verblijft en dit verblijf nog altijd voortduurt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake meer is van een kort verblijf. [1] Dat [naam hoofdbewoner] de intentie had en heeft aan verzoeker een tijdelijk verblijf te bieden en dat verzoeker op zoek is naar een andere woning, maakt dit niet anders. Aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning is voldaan.
4.6
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Betrokkenen moeten blijk ervan geven dat ze zorgdragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins. Deze zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde feiten en omstandigheden worden betrokken. [2]
4.7
Orionis stelt dat sprake is van wederzijdse zorg. Verzoeker heeft bij zijn melding voor een bijstandsuitkering aangegeven dat hij kostganger is bij [naam hoofdbewoner] en een kamer huurt. Dat is echter niet zo, want verzoeker heeft geen eigen ruimte en gebruikt de hele woning. De enige slaapkamer wordt gebruikt door [naam hoofdbewoner] . Ook is geen sprake van een commerciële huurovereenkomst. Verzoeker heeft een verklaring overgelegd, dat hij bijdraagt aan de woonlasten, maar hij heeft geen inkomen. De kleding van verzoeker ligt in de kast in de slaapkamer van [naam hoofdbewoner] en zijn post ligt bij de post van [naam hoofdbewoner] op de eetkamertafel. [naam hoofdbewoner] doet boodschappen, kookt, wast en zorgt dat alles klaar staat als zij gaat werken. Ook betaalt [naam hoofdbewoner] de zorgverzekering voor verzoeker. Nu kan verzoeker vanwege ziekte geen zorg bieden aan [naam hoofdbewoner] , maar op termijn als hij beter is, kan dat wel.
4.8
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het enkele feit dat sprake is van een kleine benedenwoning met slechts één slaapkamer en suite en verzoeker om die reden gebruik maakt van de gehele woning nog niet betekent dat aan het criterium voor wederzijdse zorg is voldaan. Van enige financiële verstrengeling die verder gaat dan de betaling van een bijdrage aan de met wonen samenhangende lasten is niet gebleken. Uit de schriftelijke verklaring van verzoeker en [naam hoofdbewoner] en hetgeen [naam hoofdbewoner] ter zitting heeft verklaard, blijkt dat [naam hoofdbewoner] alles voor verzoeker doet. Zij wast, doet de boodschappen en kookt voor hem. De bewindvoerder en [naam hoofdbewoner] hebben ter zitting betwist dat zij de zorgverzekering voor verzoeker heeft betaald. Wel heeft zij hem een bedrag geleend, zodat hij een zorgverzekering kon afsluiten.
Op geen enkele manier is gebleken dat verzoeker op zijn beurt zorg verleent aan [naam hoofdbewoner] . Verzoeker betaalt een bijdrage in de woonlasten aan [naam hoofdbewoner] , in de vorm van een lening van [naam hoofdbewoner] aan verzoeker. Zodra verzoeker over middelen beschikt, zal hij die lening moeten terugbetalen. Verder is ter zitting gebleken dat verzoeker op zoek is naar eigen woonruimte en hij, zodra hij een woning heeft, zal verhuizen. Ter zitting is benadrukt dat verzoeker vanwege zijn ziekte niet in staat is voor [naam hoofdbewoner] te zorgen en dat dit in de toekomst ook niet gaat gebeuren. Verzoeker gaat immers verhuizen naar een zelfstandige woonruimte. Het verblijf van [naam hoofdbewoner] is uiteindelijk van tijdelijke aard, omdat hij nergens terecht kon.
De voorzieningenrechter volgt Orionis daarom niet in zijn stelling dat sprake is van wederzijdse zorg. Dit betekent dat er dan geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Conclusie
5. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal het bestreden besluit na heroverweging in bezwaar naar verwachting geen stand houden. Gelet daarop dient op dit moment het belang van verzoeker om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien zwaarder te wegen dan het belang van Orionis bij het afwachten van de bezwaarprocedure. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen in die zin dat Orionis vanaf de datum van het verzoek om voorlopige voorziening (12 mei 2022) aan verzoeker voorschotten verstrekt ter hoogte van de voor hem geldende norm. Deze voorziening vervalt drie weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Proceskosten en griffierecht
6.1
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient Orionis aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.
6.2
De voorzieningenrechter veroordeelt Orionis in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759, en wegingsfactor 1). De door de gemachtigde van verzoeker gemaakte reiskosten om de zitting bij te wonen komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voorziet in het (afzonderlijk van de forfaitaire proceskostenvergoeding) vergoeden van de door een professionele gemachtigde gemaakte reiskosten. [3]

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • schorst het bestreden besluit tot drie weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat Orionis aan verzoeker met ingang van 12 mei 2022 tot aan drie weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar voorschotten op een bijstandsuitkering verstrekt naar de voor hem geldende norm;
  • draagt Orionis op het betaalde griffierecht van € 50,- aan verzoeker te vergoeden;
  • veroordeelt Orionis in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 24 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep (CRvB) 23 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3241 en 9 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1185.
2.CRvB 17 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1133.
3.Zie bijvoorbeeld CRvB 21 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1744 en 13 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:109.