Uitspraak
18.1628 WIA
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving vanaf 24 juli 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering en later een WGA-loonaanvullingsuitkering, die in 2013 werd beëindigd. Na ziekmelding in mei 2015 en beëindiging van het dienstverband per 1 juni 2015, kreeg betrokkene een ZW-uitkering toegekend. Omdat sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde oorzaak, werd een WGA-vervolguitkering toegekend vanaf 26 mei 2015.
Het Uwv paste artikel 25 van Pro het Dagloonbesluit toe om de gelijktijdige uitkeringen te verlagen zodat de som niet meer dan 70% van het maximumdagloon bedraagt. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat het AIB van toepassing was, waardoor de verlaging onterecht was. Het Uwv ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 25 van Pro het Dagloonbesluit wel van toepassing is, ook al is de WGA-vervolguitkering gebaseerd op het wettelijk minimumloon en niet op een dagloon. De Raad stelde dat de bedoeling van de regeling is om te voorkomen dat de som van gelijktijdige uitkeringen het maximum overschrijdt. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de toepassing van artikel 25 van het Dagloonbesluit wordt bevestigd.