ECLI:NL:CRVB:2020:1291
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde pgb-voorschotten wegens onvoldoende verantwoording AWBZ-zorg
Appellant ontving in 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van €23.055,05 op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) om AWBZ-zorg in te kopen. Het zorgkantoor stelde het pgb bij besluit van 7 april 2016 op nihil vast en vorderde de onverschuldigd betaalde voorschotten terug, omdat appellant niet voldeed aan de aan het pgb verbonden administratieve verplichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en de voorschotten terug te vorderen. De rechtbank vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het pgb daadwerkelijk was besteed aan AWBZ-zorg, mede omdat de administratie niet voldeed aan de eisen van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa).
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor de verantwoording van het pgb bij de verzekerde ligt, ook als het beheer aan derden is toevertrouwd. Appellant slaagde er niet in de besteding aannemelijk en inzichtelijk te maken. Ook het feit dat appellant aangifte deed van fraude door zorgverleners leidt niet tot een ander oordeel. De Raad bevestigt dat het zorgkantoor terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot terugvordering en dat appellant een betalingsregeling kan aanvragen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het zorgkantoor mocht het pgb op nihil vaststellen en de onverschuldigde voorschotten terugvorderen.