Overwegingen
1. Aan eiser is met het besluit van 20 december 2016 een pgb toegekend met ingang
van 1 mei 2016. Eiser kon dit budget gebruiken om zorg in te kopen voor zes uur
per week.
2. Eiser heeft het pgb ter bekostiging van deze ondersteuning ontvangen in de periode
van 1 mei 2016 tot en met 31 augustus 2017.
3. Op 6 november 2019 heeft eiser gevraagd om het aan hem toegekende pgb te verlengen, om op deze manier te kunnen voorzien in ondersteuning bij zijn zelfredzaamheid.
4. Op enig moment zijn bij verweerder twijfels gerezen over of eiser het pgb wel op de juiste manier heeft aangewend. De reden is dat het door hem ingehuurde bureau om de zorg te verlenen, genaamd [zorgverlener 1] , fraude zou hebben gepleegd.
5. Met het primaire besluit I heeft verweerder het besluit van 20 december 2016 (zie onder 1) ingetrokken. Hiermee is de grondslag voor de toekenning van het pgb per 1 mei 2016 in zijn geheel komen te vervallen.
De reden voor dit besluit is dat eiser volgens verweerder het pgb niet doelmatig heeft besteed. Het is namelijk de bedoeling dat het budget wordt besteed aan een zorgleverancier, die eiser daarmee ondersteunt bij activiteiten die bijdragen aan zelfredzaamheid en participatie. Eiser heeft echter 60% van het budget zelf ontvangen, aldus verweerder. Ook heeft eiser volgens verweerder onvolledige gegevens verstrekt over [zorgverlener 1] , met de volledige gegevens had verweerder het pgb niet toegekend.
6. Met het primaire besluit II heeft verweerder het verzoek van eiser om het pgb te verlengen (zie onder 3) afgewezen, omdat eiser onvoldoende gegevens over de zorgverlener heeft verstrekt. In plaats daarvan is, van 1 januari 2020 tot 31 december 2021, een maatwerkvoorziening ozr voor zes uur in de week toegekend in de vorm van zorg in natura.
7. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op het advies van de Commissie bezwaarschriften van 13 juli 2020.
8. Eiser is het niet eens met de intrekking van het pgb en de redenen die hiervoor zijn gegeven. Eiser is namelijk niet met pgb-geld betaald door [zorgverlener 1] . Uit de bankafschriften van eiser, ten tijde van de zorgovereenkomst met [zorgverlener 1] , blijkt dat hij rood stond. Hierdoor is het volstrekt onaannemelijk dat eiser pgb-geld heeft ontvangen. Dat eiser contant zou zijn uitbetaald klopt ook niet, een enkele verklaring van [zorgverlener 1] hierover vormt onvoldoende bewijs. Ook hebben eiser en zijn familie nooit meegewerkt met het opstellen van verdeellijsten voor pgb- gelden. Eiser heeft, zes á zeven maanden voordat [zorgverlener 1] werd ontmaskerd,
zelfbesloten geen gebruik meer te maken van de diensten, omdat de zorgverleners niet meer naar [woonplaats] wilden afreizen. Hieruit blijkt dat eiser met [zorgverlener 1] in zee is gegaan voor de zorgverlening en niet voor het verdienen van pgb-geld.
9. Eiser is het ook niet eens met de afwijzing van de verlening van het pgb en de toewijzing van zorg in natura (zie onder 6). Hij is namelijk zeer tevreden over de huidige zorgverlener, die meerdere talen spreekt. Continuïteit is belangrijk voor eiser, omdat hij met eerdere zorgverleners slechte ervaringen heeft. De gemeente Utrecht, waar eiser in juli 2020 naar is verhuisd, betaalt wel de facturen van eisers huidige zorgverlener van [zorgverlener 2] . [zorgverlener 2] heeft niets te maken met de vermeende fraudezaak rondom [zorgverlener 1] , het is dan ook niet te begrijpen dat verweerder hiervoor geen pgb wil verstrekken.
10. Verweerder stelt dat eiser het pgb- geld niet doelmatig heeft besteed, omdat hij vermoedelijk een deel van het geld zelf heeft ontvangen. Dit geld is dus niet naar zorgverlening gegaan. Er zijn weliswaar geen bijschrijvingen aangetroffen op de bankafschriften van eiser, maar [A] heeft verklaard dat er ook bedragen contant werden uitbetaald. Ook kwam het voor dat pgb-geld werd gedeeld door het te betalen aan een familielid van de budgethouder. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van het ISZW, waar de verdeellijsten onderdeel van uitmaken. De juistheid staat daarom niet ter discussie.
11. Het is zeer onaannemelijk dat eiser zes uur per week zorg ontving van [zorgverlener 1] . Door [zorgverlener 1] is uitgebreid beschreven dat slechts in geringe mate zorg is verleend. Uit de zorgovereenkomst en het proces-verbaal blijkt dat [A] de zorgverlener van eiser was en een meisje waarvan hij de naam niet meer weet. [A] is één van de drie broers en eigenaren van [zorgverlener 1] , die allen strafrechtelijk zijn veroordeeld.
12. Verweerder stelt dat terecht zorgverlening is toegekend in natura in plaats van in de vorm van een pgb. Het is namelijk niet gewaarborgd dat diensten die tot de maatwerkvoorziening uit het pgb behoren veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Eiser heeft geen informatie overgelegd over welke doelen zijn behaald.