ECLI:NL:CRVB:2020:1347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde bankrekeningen en oplegging boete
Appellante ontving sinds 2014 bijstand en meldde niet twee bankrekeningen waarop zij tegoeden had. Na een signaal van de Belastingdienst stelde het college een onderzoek in en besloot de bijstand over twee periodes te herzien en terug te vorderen, en een boete op te leggen wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet redelijkerwijs over het vermogen kon beschikken omdat de rekeningen op initiatief van haar ex-partner waren geopend en het geld bestemd was voor derden in Bosnië. De Raad oordeelde echter dat het feit dat de rekeningen op haar naam stonden en dat zij geld had opgenomen, impliceert dat zij redelijkerwijs over het vermogen kon beschikken.
Verder waren de stortingen van derden op de rekeningen in beginsel inkomsten die op de bijstand in mindering moesten worden gebracht. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat deze stortingen niet voor haar bestemd waren. De Raad bevestigde daarom de herziening, intrekking en terugvordering van de bijstand, evenals de boete, en wees de beroepen af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en handhaaft de boete wegens niet gemelde bankrekeningen.