Uitspraak
18.819 AOW
OVERWEGINGEN
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante maakte bezwaar tegen een pensioenoverzicht van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), waarin werd vermeld dat zij pas vanaf 2021 in aanmerking komt voor een AOW-uitkering, in plaats van vanaf 1 mei 2019. Tevens betwistte zij het niet verzekerd zijn in de periode 1969-1971. De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk voor zover het ging om de vermelde pensioengerechtigde leeftijd en ongegrond voor het overige.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de verschuiving van de AOW-aanvangsleeftijd onrechtmatig en discriminerend zou zijn, verwijzend naar een eerdere zaak van haar echtgenoot. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat een pensioenoverzicht slechts een informatief karakter heeft en dat de vermelding van de pensioengerechtigde leeftijd niet op rechtsgevolg is gericht, zodat daartegen geen bezwaar mogelijk is.
Verder werd geoordeeld dat de wijziging van de AOW-aanvangsleeftijd ingevolge artikel 7a AOW in het algemeen niet leidt tot schending van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens of discriminatie. Eventuele individuele gevallen van onevenredige lasten kunnen alleen in het kader van daadwerkelijke AOW-besluiten worden beoordeeld. Het hoger beroep van appellante faalde en het verzoek tot schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.