Appellant was sinds 2004 werkzaam bij de politie en kreeg in 2016 ontslag wegens ernstig plichtsverzuim en ongeschiktheid, gerelateerd aan grensoverschrijdend gedrag en relatieproblemen met zijn partner, eveneens politieambtenaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het plichtsverzuim onvoldoende was voor ontslag maar dat ongeschiktheid wel bestond. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn privégedrag niet relevant was voor zijn functie en dat zijn dienstverrichting niet was aangetast.
De Raad oordeelde dat het gedrag van appellant, waaronder het verzwijgen van strafbare feiten en escalatie van relatieproblemen met politie-inzet, zijn grondhouding en geschiktheid voor de functie aantoonbaar ondermijnde. De Raad vernietigde het primaire ontslagbesluit en verklaarde het beroep gegrond, herroepende het besluit van 30 november 2016 voor zover het ontslag op die grond was gebaseerd.
Daarnaast veroordeelde de Raad de korpschef tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant. De uitspraak benadrukt dat ook privégedrag dat de functiegrondhouding aantast, kan leiden tot ontslag wegens ongeschiktheid.