Uitspraak
19 1217 PW
11 februari 2019, 18/2474 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en woonde op een opgegeven adres. Medewerkers van de gemeente Groningen ontvingen meldingen over illegale prostitutie op dat adres, onderbouwd met advertenties op internet waarop seks werd aangeboden. Na onderzoek en een hoorzitting concludeerde het college dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van deze activiteiten.
Het college trok de bijstand met ingang van 16 september 2016 in en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode tot 28 februari 2018, omdat de activiteiten als op geld waardeerbare arbeid werden beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij de seksdiensten slechts voor eigen ontspanning aanbood en geen inkomsten had genoten. De Raad verwierp dit verweer omdat de grote hoeveelheid en frequentie van advertenties wezen op structurele, op geld waardeerbare activiteiten. Het feit dat daadwerkelijk inkomsten niet waren aangetoond, deed hieraan niet af.
De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde op geld waardeerbare seksdiensten.