ECLI:NL:CRVB:2020:18
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV na klacht tegen verzekeringsarts leidt niet tot wijziging Ziektewet-uitkering
Appellant, die van 2003 tot 2004 als verzorgende werkte en daarna een IVA-uitkering ontving, vroeg in 2011 alsnog een Ziektewet-uitkering aan met terugwerkende kracht. Het UWV wees deze aanvraag af, omdat appellant op de gevraagde datum naar oordeel van verzekeringsarts Boeykens in staat was zijn werk te verrichten. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep bevestigden dit oordeel in eerdere uitspraken.
Appellant diende een klacht in bij het Regionaal Tuchtcollege tegen de verzekeringsarts, die deels gegrond werd verklaard en leidde tot een waarschuwing. Op basis hiervan verzocht appellant het UWV om herziening van het eerdere besluit. Het UWV weigerde terug te komen op het besluit, gesteund door rapporten van andere verzekeringsartsen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het Tuchtcollege-uitspraak weliswaar een nieuw feit was, maar onvoldoende aanleiding gaf om het besluit te herzien. De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en bevestigde het oordeel dat appellant op de relevante datum in staat was zijn werkzaamheden te verrichten. Het hoger beroep werd verworpen, en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht niet is teruggekomen op het besluit tot afwijzing van de Ziektewet-uitkering.