ECLI:NL:CRVB:2020:180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening vakantiegeld met bijstand ondanks verjaring vordering
Appellante ontving bijstand en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam vorderde kosten van bijstand terug via een besluit van 16 februari 2012. Het college hield vanaf dat moment maandelijks bedragen in op de bijstand, waaronder ook het opgebouwde vakantiegeld, ter aflossing van de schuld. In 2017 wijzigde het college het maandelijks aflossingsbedrag en bevestigde de verrekening van het vakantiegeld.
In mei 2018 verrekende het college het vakantiegeld met de resterende vordering, zichtbaar op een uitkeringsspecificatie. Appellante maakte bezwaar tegen deze specificatie, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de specificatie geen besluit is volgens artikel 1:3 Awb Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. Appellante stelde dat de vordering was verjaard, maar de Raad oordeelde dat de maandelijkse inhoudingen de verjaring stuitten, waardoor de vordering niet verjaard was. De uitkeringsspecificatie was slechts een uitvoering van het eerdere besluit en geen zelfstandig besluit.
Daarmee faalde het verjaringsverweer en werd de verrekening van het vakantiegeld met de bijstandsvordering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college het vakantiegeld mag verrekenen omdat de vordering niet is verjaard door stuiting van verjaring.