Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:180

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 januari 2020
Publicatiedatum
28 januari 2020
Zaaknummer
19-1592 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verrekening vakantiegeld met bijstand ondanks verjaring vordering

Appellante ontving bijstand en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam vorderde kosten van bijstand terug via een besluit van 16 februari 2012. Het college hield vanaf dat moment maandelijks bedragen in op de bijstand, waaronder ook het opgebouwde vakantiegeld, ter aflossing van de schuld. In 2017 wijzigde het college het maandelijks aflossingsbedrag en bevestigde de verrekening van het vakantiegeld.

In mei 2018 verrekende het college het vakantiegeld met de resterende vordering, zichtbaar op een uitkeringsspecificatie. Appellante maakte bezwaar tegen deze specificatie, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de specificatie geen besluit is volgens artikel 1:3 Awb Pro.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. Appellante stelde dat de vordering was verjaard, maar de Raad oordeelde dat de maandelijkse inhoudingen de verjaring stuitten, waardoor de vordering niet verjaard was. De uitkeringsspecificatie was slechts een uitvoering van het eerdere besluit en geen zelfstandig besluit.

Daarmee faalde het verjaringsverweer en werd de verrekening van het vakantiegeld met de bijstandsvordering bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college het vakantiegeld mag verrekenen omdat de vordering niet is verjaard door stuiting van verjaring.

Uitspraak

19.1592 PW

Datum uitspraak: 28 januari 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2019, 18/5566 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.L. Soedamah, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2019. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving bijstand. Het college heeft bij besluit van 16 februari 2012, voor zover hier van belang, kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 21.016,-. Het college heeft in dit besluit (terugvorderingsbesluit) ook aangekondigd met ingang van februari 2012 op de bijstand een bedrag in te houden ter aflossing van de ontstane schuld en dat ook het opgebouwde vakantiegeld daarvoor zal worden aangewend. Het college heeft vanaf februari 2012 inhoudingen gedaan zoals aangekondigd in het terugvorderingsbesluit.
1.2.
Het college heeft bij besluit van 26 mei 2017 appellante meegedeeld wat er op dat moment nog aan schuld open stond, het maandelijks aflossingsbedrag gewijzigd en opnieuw aangekondigd dat de vakantietoeslag zal worden verrekend met de in het terugvorderingsbesluit genoemde vordering.
1.3.
Het college heeft in mei 2018 het vakantiegeld verrekend met de resterende vordering. De verrekening is zichtbaar op een uitkeringsspecificatie van 25 mei 2018. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze uitkeringsspecificatie. Het college heeft dat bezwaar bij besluit van 3 augustus 2018 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat de uitkeringsspecificatie geen rechtsgevolg heeft, omdat daarmee alleen uitvoering wordt gegeven aan het besluit van 26 mei 2017. De uitkeringsspecificatie is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat het college het vakantiegeld niet mocht verrekenen, omdat de vordering van het college op 26 mei 2017 was verjaard. De verjaringstermijn is volgens appellante op 16 februari 2012 gaan lopen. De vordering van het college was daarom op 16 februari 2017 al verjaard. Het is dan ook niet van belang of appellante bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 26 mei 2017, omdat de grondslag daaraan is ontvallen.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2313) ligt aan elke betaling van een uitkering een besluit tot betaling ten grondslag. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in de uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld. Voor zover over een element van de uitkeringsvaststelling al eerder een besluit is genomen en daarin bij een periodieke betaling geen wijziging optreedt, is in het algemeen slechts sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op een rechtsgevolg dat niet al door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4.3.
Met de uitkeringsspecificatie van 25 mei 2018 heeft het college ongewijzigd uitvoering gegeven aan het besluit van 26 mei 2017. Zo appellante met haar grond heeft bedoeld te stellen dat de uitkeringsspecificatie een besluit is, omdat met de door haar gestelde verjaring van de vordering een gewijzigde situatie is ontstaan, slaagt deze grond al niet omdat de vordering van het college niet is verjaard. Het college heeft na het terugvorderingsbesluit van 16 februari 2012 maandelijks bedragen ingehouden op de bijstand van appellante ter aflossing op de vordering. Dat betwist appellante ook niet. Daarmee heeft het college telkens de verjaring gestuit. Dit betekent dat de door appellante in hoger beroep aangevoerde grond niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en P.W. van Straalen en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2020.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) T. Ali