ECLI:NL:CRVB:2020:1986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als constructiebankwerker, meldde zich ziek vanwege klachten aan de stomp van zijn rechteronderbeen, waar hij een prothese draagt. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellant met de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 november 2016 niet geschikt was voor zijn laatst verrichte werk, maar wel geschikt voor andere functies waarmee hij meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur kan verdienen.
Het UWV weigerde daarom per 1 februari 2017 een WIA-uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, stellende dat hij in ongeveer 25% van de tijd de prothese niet kan dragen en dat hij vanwege irritatie aan de stomp ook op dagen dat hij de prothese wel draagt, beperkt is in het verrichten van functies. Hij meende volledig arbeidsongeschikt te zijn en in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering.
De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist in de FML waren neergelegd. De arbeidsdeskundige had functies geselecteerd die appellant met zijn beperkingen kon vervullen. Het ziekteverzuimpercentage was volgens vaste rechtspraak aanvaardbaar. De Centrale Raad onderschreef dit oordeel en bevestigde dat de geduide functies geschikt zijn, ook gezien de toelichting over zitten en tillen. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen en het ziekteverzuim aanvaardbaar is.