Appellant is sinds 2005 arbeidsongeschikt door psychische klachten en ontving diverse WIA-uitkeringen. Het UWV stelde in 2017 de arbeidsongeschiktheid vast op 63,5% en weigerde een IVA-uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze besluiten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische en arbeidsdeskundige rapporten voldoende onderbouwing boden voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en de geschiktheid van geselecteerde functies. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn ziektebeeld repeterend was en hij daardoor een hoog verzuimrisico had, wat een IVA-uitkering rechtvaardigde.
De Centrale Raad van Beroep volgde het UWV en de rechtbank. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling en de functionele mogelijkhedenlijst. Het repeterende karakter van de klachten en het verzuimrisico werden onvoldoende onderbouwd om tot een IVA-uitkering te komen. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de procedure was overschreden, waarop de Staat werd veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.000 en een proceskostenvergoeding van €374.