Appellant, een mbo-student geboren in 1999, verzocht de minister om vergoeding van reiskosten die hij maakte voor zijn opleiding. De minister wees dit verzoek af omdat appellant vanaf het kwartaal waarin hij 18 werd, recht had op studiefinanciering en daardoor geen recht op een reisvoorziening kon maken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderscheid op grond van leeftijd en onderwijsniveau niet onrechtmatig was en binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever viel.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het weigeren van de reisvoorziening het recht op onderwijs schond en dat het onderscheid niet objectief gerechtvaardigd was, mede omdat de wet per 1 januari 2017 was gewijzigd. De Raad overwoog dat het recht op onderwijs niet in de kern was aangetast en dat het onderscheid op grond van leeftijd en onderwijsniveau een sociaal-economische maatregel betrof met een ruime beoordelingsmarge. De wijziging van de wet per 2017 deed geen afbreuk aan de rechtvaardiging van het eerdere onderscheid.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat de minister het besluit voldoende had gemotiveerd en zorgvuldig had voorbereid. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De zaak werd zonder zitting afgedaan vanwege de coronamaatregelen.