ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing studiefinanciering aan niet-gelijkgestelde vreemdelingen zonder verblijfsvergunning
Appellanten, broer en zus zonder verblijfsvergunning in Nederland, vroegen studiefinanciering aan op grond van de Wet studiefinanciering 2000. De Minister wees deze aanvragen af omdat zij niet voldeden aan het nationaliteitsvereiste en de gelijkstellingsregeling. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat het recht op onderwijs zoals gewaarborgd in artikel 2 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM een eenieder verbindende verdragsbepaling is en dat studiefinanciering binnen het toepassingsbereik valt. Echter, de effectuering van dit recht kan worden gereguleerd, mits de kern niet wordt aangetast en beperkingen proportioneel en legitiem zijn. De Raad vond geen grond om een positieve verplichting tot studiefinanciering aan appellanten toe te kennen, mede vanwege hun illegale verblijfsstatus.
Daarnaast oordeelde de Raad dat het onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus gerechtvaardigd is door de doelstelling van de koppelingswetgeving, die voortzetting van illegaal verblijf wil voorkomen. Er is geen sprake van verboden discriminatie naar nationaliteit of leeftijd. Ook de uitzondering voor leerplichtige minderjarige vreemdelingen is niet van toepassing omdat appellanten geen minderjarigen meer zijn.
De hoger beroepen werden verworpen en de aangevallen uitspraken bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de afwijzing van studiefinanciering aan appellanten zonder geldige verblijfsvergunning.