ECLI:NL:CRVB:2020:2098
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich in april 2014 ziek met psychische en lichamelijke klachten. Na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) stelde het UWV vast dat appellant per 23 mei 2015 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% van zijn loon kon verdienen met andere functies. Na bezwaar en beroep werd het ziekengeld per 24 december 2015 beëindigd, wat door de rechtbank en de Raad werd bevestigd.
Appellant meldde zich in maart 2016 opnieuw ziek en het UWV weigerde een nieuwe ZW-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor toegenomen klachten. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat zijn klachten onvoldoende waren onderkend.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat de verzekeringsartsen een zorgvuldig en volledig medisch onderzoek hadden verricht, waarbij ook de medische informatie van huisarts en psychiater was betrokken. Er waren geen aanwijzingen dat de psychische en fysieke klachten op de datum in geding waren verergerd. Ook het medicatiegebruik leidde niet tot aanvullende beperkingen. Omdat er geen twijfel was aan het medisch oordeel, werd geen deskundige benoemd.
De Raad concludeerde dat appellant in staat moet worden geacht tot het verrichten van ten minste één van de functies die bij de EZWb waren vastgesteld en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd en appellant in staat is tot het verrichten van ten minste één van de geselecteerde functies.