ECLI:NL:CRVB:2020:2132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging hoogte WGA-vervolguitkering en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant, laatstelijk werkzaam als sales engineer, heeft zich in 2011 ziek gemeld en ontving een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Na diverse bezwaar- en beroepsprocedures is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op circa 62,49%. In 2016 verzocht appellant om herbeoordeling wegens verslechtering van zijn gezondheid. Het UWV handhaafde de WGA-vervolguitkering op basis van een zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep stelde dat het UWV onjuiste maatlonen hanteerde en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren. Ook verzocht hij om benoeming van een onafhankelijke deskundige en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat het medisch oordeel van de verzekeringsartsen van het UWV niet ter discussie stond. De arbeidsdeskundige had in hoger beroep een aangepaste mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld, maar dit had geen gevolgen voor de uitkering. De Raad zag geen aanleiding tot benoeming van een onafhankelijke deskundige.
Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn stelde de Raad vast dat de totale procedure bijna vier jaar en drie maanden duurde, wat de redelijke termijn overschreed. Daarom werd een schadevergoeding van € 500,- toegekend, waarvan € 166,67 voor rekening van het UWV en € 333,33 voor rekening van de Staat. Tevens werden proceskosten toegewezen aan appellant.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV en de Staat tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Bestreden besluit tot handhaving WGA-vervolguitkering bevestigd en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding toegekend.