ECLI:NL:CRVB:2020:2168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde autotransacties
Appellanten ontvingen sinds 2009 bijstand op grond van de Participatiewet. Na een klacht startte de gemeente Rotterdam een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij bleek dat tussen februari 2010 en april 2017 34 kentekens op naam van appellant stonden. Appellant verklaarde dat auto’s slechts kort op zijn naam stonden en dat het ging om oude voertuigen die contant werden gekocht en verkocht, soms op naam van familieleden vanwege beslaglegging.
Het college besloot de bijstand over 27 maanden in te trekken en terug te vorderen wegens het niet melden van autotransacties. De rechtbank vernietigde het besluit deels, maar in hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep het besluit. De Raad oordeelde dat de korte tenaamstellingen en het aantal voertuigen wijzen op handelstransacties, niet op eigen gebruik. De door appellant ingebrachte verklaringen en overzichten waren onvoldoende onderbouwd met objectief bewijs.
Verder oordeelde de Raad dat het feit dat het om oude auto’s ging niet relevant is voor de bijstand. Ook was het voor appellant redelijkerwijs duidelijk dat meldingsplicht bestond. De gevorderde wijziging van de bewijslast werd afgewezen omdat appellant zelf de bewijsnood veroorzaakte door niet te melden. Omdat appellant geen bewijs leverde van de aan- en verkoopwaarden, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde autotransacties.