ECLI:NL:CRVB:2020:2183
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.S. van der Kolk
- M.E. Fortuin
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte vaststelling WIA-dagloon ondanks ouderschapsverlof
Appellant, werkzaam als chauffeur, heeft gedurende de referteperiode ouderschapsverlof genoten en stelt dat het dagloon onjuist is vastgesteld omdat het niet het loon weerspiegelt dat hij verdiende vóór het verlof, inclusief overuren. Het UWV had het dagloon berekend op basis van het loon in de referteperiode, gecorrigeerd met een factor vanwege het ouderschapsverlof.
De rechtbank had het beroep van appellant tegen het dagloon ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het Dagloonbesluit dwingend voorschrijft dat het dagloon wordt berekend op basis van het loon in de referteperiode en dat het overeengekomen loon per aangiftetijdvak daarin is begrepen.
Appellant kon niet aantonen dat het loon in de referteperiode niet het overeengekomen loon was, noch dat overuren structureel tot het overeengekomen loon behoorden na het ingaan van het ouderschapsverlof. De Raad wijst het beroep af en bevestigt dat het Dagloonbesluit geen ruimte biedt voor afwijkingen of hardheidsclausules.
De uitspraak benadrukt dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet zijn van het loon in de referteperiode en dat het UWV terecht is uitgegaan van het loon inclusief overuren en ziekengeld zoals betaald in die periode, met correctie voor ouderschapsverlof.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het WIA-dagloon correct is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.