Uitspraak
19.3068 AW, 19/3069 AW
5 juni 2019, 18/2614, 19/70 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam bij de Dienst [Dienst 1], kreeg op 31 januari 2018 voorwaardelijk strafontslag opgelegd wegens plichtsverzuim door ongeoorloofde afwezigheid op 10 oktober 2017. Tijdens de proeftijd maakte hij zich opnieuw schuldig aan soortgelijk plichtsverzuim door op 10 april 2018 zonder toestemming zijn dienst voortijdig te verlaten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de tenuitvoerlegging van het strafontslag ongegrond. Zij oordeelde dat appellant zich niet betrouwbaar had opgesteld en dat zijn gedrag de veiligheid van collega’s en gedetineerden in gevaar bracht. De Raad onderschrijft dit oordeel en wijst het beroep af.
De Raad benadrukt dat ondanks de moeilijke privésituatie van appellant, de aard van zijn functie hoge eisen stelt aan aanwezigheid en integriteit. De relatief korte ongeoorloofde afwezigheid van 24 minuten tijdens het risicovolle moment van insluiting van gedetineerden rechtvaardigt de tenuitvoerlegging van het strafontslag. De opgelegde straf is niet onevenredig en de minister heeft terecht de straf ten uitvoer gelegd.
Uitkomst: Het voorwaardelijk strafontslag wegens ongeoorloofde afwezigheid wordt bevestigd en ten uitvoer gelegd.