Uitspraak
19 4427 WW
17 september 2019, 18/3852 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1981 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim na meerdere incidenten, waaronder het voortijdig verlaten van zijn dienst op 10 april 2018. Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het gedrag een dringende reden vormde en hem in overwegende mate kon worden verweten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het vroegtijdig verlaten van de dienst slechts 24 minuten betrof, dat hij te goeder trouw handelde en dat er sprake was van psychische problemen die zijn verwijtbaarheid zouden verminderen. Deze stellingen werden niet onderbouwd met medische stukken en het standpunt dat hij door een collega was afgelost werd niet bevestigd door bewijs.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en dat het UWV terecht de uitkering heeft geweigerd. De Raad benadrukte dat het voortijdig verlaten van de dienst in strijd was met de dienstinstructies, dat de veiligheid van gedetineerden en collega’s in gevaar werd gebracht en dat eerdere disciplinaire maatregelen in aanmerking werden genomen.
De uitspraak bevestigt dat het UWV op grond van artikel 27 van Pro de WW verplicht is de uitkering niet uit te betalen indien verwijtbare werkloosheid is vastgesteld. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en handhaaft de weigering van de WW-uitkering.