ECLI:NL:CRVB:2020:2279
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, laatstelijk werkzaam als productiemedewerkster, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. In bezwaar en beroep werden rapporten van verzekeringsarts Van der Planken en arbeidsdeskundige Maas overgelegd die meer beperkingen stelden, maar deze werden door het UWV en de rechtbank niet gevolgd vanwege onvoldoende objectieve onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en dat de beperkingen terecht waren vastgesteld. Ook werd geoordeeld dat appellante niet als medische afzakker kon worden aangemerkt omdat geen objectieve medische noodzaak bestond voor het terugbrengen van haar arbeidsuren vóór de ziekmelding.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad vond dat de medische en arbeidskundige grondslagen voldoende waren gemotiveerd en dat de functies die voor appellante waren geselecteerd passend waren, ook gelet op haar taalvaardigheid.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de eerdere uitspraak, waarmee de weigering van de WIA-uitkering stand houdt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.