Uitspraak
18.1849 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als beveiliger, meldde zich ziek met rug- en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant niet geschikt was voor zijn oude functie maar wel belastbaar met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Na bezwaar en beroep werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 26,97%, onder de vereiste 35% voor een WIA-uitkering.
Appellant voerde aan dat zijn stoornis in impulsbeheersing zwaarder woog en dat een incident op zijn werk maakte dat een werkgever hem niet in passende arbeid hoefde te plaatsen. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat het UWV de beperkingen juist had vastgesteld en dat in de FML en functieselectie rekening was gehouden met de psychische stoornis.
De Raad overwoog dat het incident uit 2018 geen aanleiding gaf tot een ander oordeel over de gezondheidstoestand. Ook is volgens vaste rechtspraak de redelijke plaatsing door een werkgever niet beperkt door het incident. Het arbeidskundige oordeel is voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.