ECLI:NL:CRVB:2020:235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering na melding toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant deed op 5 april 2016 een melding van toegenomen ziekte vanwege oogklachten en stelde het UWV op 16 juni 2017 in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing. Het UWV wees het verzoek om een dwangsom aanvankelijk af, maar nam op 8 augustus 2017 een inhoudelijke beslissing waarin de WAO-uitkering ongewijzigd werd voortgezet omdat de oogklachten niet onder de verzekerde gezondheidsklachten vielen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing en het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond na medisch en arbeidskundig onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het CBBS-systeem als ondersteunend systeem rechtens aanvaardbaar is.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV niet inhoudelijk had beslist en dat hij niet de mogelijkheid had gekregen te reageren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad oordeelde dat de melding van appellant geen verzoek om terugkomst van een eerder besluit was, dat het UWV wel degelijk inhoudelijk had beslist en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Ook was er geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht een dwangsom van € 1.140,- heeft vastgesteld voor de periode van 1 juli tot en met 8 augustus 2017 wegens te late beslissing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van proceskosten werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering bevestigd.