ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7525
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijt
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WAO-uitkeringsrecht na medische en arbeidskundige herbeoordeling
Appellante viel sinds 2 november 2001 uit voor haar werk als tuinbouwmedewerkster. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat zij geen recht had op WAO-uitkering vanaf 1 november 2002, omdat er passende functies waren zonder verlies aan verdiencapaciteit.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit op bezwaar, dat opnieuw ongegrond werd verklaard. Appellante voerde aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld en dat zij niet voldoende gelegenheid had gekregen te reageren op nieuwe rapporten.
De Raad overwoog dat de medische beperkingen niet onderschat waren en dat de bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige hun bevindingen voldoende hadden gemotiveerd. Er was geen noodzaak tot nader onderzoek bij de behandelende sector. Ook was appellante voldoende gehoord tijdens eerdere procedures en onderzoeken.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit van 26 januari 2006 bevestigd.