ECLI:NL:CRVB:2020:2384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellante, werkzaam als verkoopmedewerker, meldde zich ziek met klachten aan handen en schouders en vroeg in 2017 een WIA-uitkering aan. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast, maar een arbeidsdeskundige concludeerde dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Het UWV wees de uitkering af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en ook in hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat haar beperkingen werden onderschat. Zij stelde dat zij geen financiële middelen had voor een contra-expertise en dat dit een schending van het beginsel van equality of arms betekende.
De Raad overwoog dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om haar standpunt te onderbouwen. Medische stukken van behandelaars kunnen twijfel zaaien, maar appellante had deze niet overgelegd. Er was geen reden om een deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.