ECLI:NL:CRVB:2020:2416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na verzekeringsgeneeskundig onderzoek bevestigd
Appellant, voormalig heftruckchauffeur, meldde zich ziek met rug- en voetklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna de uitkering werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist was vastgesteld. Appellant voerde onder meer aan dat zijn operatie en beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat het beginsel van equality of arms was geschonden omdat hij geen deskundige kon inschakelen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt vast dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om medische stukken in te brengen. De Raad ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de medische conclusies te twijfelen en wijst erop dat de operatie na de peildatum plaatsvond, zodat een eventuele verslechtering niet in de beoordeling kon worden betrokken.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering na zorgvuldig onderzoek.