Appellant, met een autismespectrumstoornis en gedragsstoornis, ontving sinds 2006 een Wajong-uitkering gebaseerd op een hoge mate van arbeidsongeschiktheid. Het Uwv stelde in 2016 vast dat appellant arbeidsvermogen had, waardoor zijn uitkering per 1 januari 2018 werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze verlaging.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Uwv zorgvuldig had onderzocht dat appellant arbeidsvermogen had, ondanks zijn beperkingen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat hij geen basale werknemersvaardigheden bezit, onderbouwd met medische stukken en begeleidingsgegevens.
De Raad oordeelt anders dan de rechtbank en concludeert dat appellant op 1 januari 2018 geen arbeidsvermogen had, mede vanwege zijn psychische aandoeningen, traumagerelateerde klachten en beperkte draagkracht. De Raad vernietigt het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank en bepaalt dat de Wajong-uitkering onveranderd 75% van de grondslag bedraagt. Tevens veroordeelt de Raad het Uwv in de proceskosten van appellant.